Pastoor Kistemaker (1728 – 1732)

Rossum vroegerDe volgende pastoor was pastoor Kistemaker. Hij volgde pastoor Bloemen ongeveer 1728 op en stierf in 1732. Hij moet de eerst vice-pastor in Reutum geweest zijn, waar hij zijn kapel en woning bij Rosing had.

Toen Reutum in 1820 een eigen parochie werd, herinnerde men zich blijkbaar nog het vertrek van pastoor Kistemaker, een paar generaties eerder. Men zei toen namelijk dat er vroeger ook al eens een pastoor van honger uit Reutum was weggelopen en dat ze in Reutum ook nu geen pastoor zouden kunnen onderhouden.

Van pastoor Kistemaker werd verhaald dat wanneer zijn parochianen ergens in de stad een bruiloft hielden, hij naar de bruiloftszaal ging om de mensen op tijd naar huis te krijgen en dat hij met hen mee ging tot in de Berghuizer Es om ongeregeldheden te voorkomen.

Pastoor Lambertus Johannes Nieuwenhuis (1732 – 1755)

In 1732 volgde pastoor Lambertus Johannes Nieuwenhuis pastoor Kistemaker op. Nog vier jaar lang woonde deze bij de gasthuiskapel te Oldenzaal. Hij behoorde tot een tegenwoordig nog bekende Oldenzaalse familie.

Een eigen kerkje in Rossum

In 1736 verliet pastoor Nieuwenhuis, die men de tweede stichter van de parochie Rossum en De Lutte zou kunnen noemen, de Oldenzaalse gasthuiskapel naar het in Rossum gelegen erve Tijman, dat door zijn familie was aangekocht en waar hij, met toestemming van de Drost, een kerkschuur oprichtte.

Hij vestigde zich metterwoon in Rossum. Men heeft er op gewezen dat de kerk tot stand kwam bij de grens tussen de marken Rossum en Volthe: gewoonlijk werd een kerk die voor twee esdorpen moest dienen, bij de grens van de marken gebouwd.

De Lutte en een gedeelte van Weerselo (Nijstad) werden toen ook vanuit Rossum bediend.

Op zon- en feestdagen verrichtte de pastoor de vroege dienst in Rossum en de late dienst in De Lutte: ’s winters bij Varwiek (Boerrichter) en ’s zomers bij Lamrnerink, beide op vijf kwartier afstand.

Pastoor Nieuwenhuis was een vroom geestelijke. Als hij van Rossum naar De Lutte ging bad hij, door een steeds grotere schare vergezeld, luid de rozenkrans. Pastoor Nieuwenhuis stierf in februari 1755 en werd in de St. Plechelmuskerk te Oldenzaal begraven.

Een jaar te voren had hij de volgende verklaring opgesteld die toevallig bewaard is gebleven:

“Nae rijpe ooverweeginge zoo verklaare en betuyge in en mits deesen dat t kerken goet, niet uitgesondert, aen de gemeente toebehoort. Namentlijk een kelk de kleine, de groote kelk behoort in de Parochie Kerk tot Oldenzaal (bedoeld zal zijn de bovenvermelde kelk van pastoor ten Kampe), twee busjes een groot een klein, Alle Missekleederen, met de Alben en overige linnen, t altaar, Mooder Godts kaste, neefens twee kasten daer t kerkgoot (= kerkelinnen ) in is berustende, glaassen, schilderijen, vlo or mueren Missaal; in ’t kort: niets hoort aen mijn erfgenaamen als t vierkante werk, t rak en dak solder met de deuren en vensters en wat buijten is van mueren. Dat dit de opregte waarheit is verklaere ik met onderteekinge van mijn eijgen handt gedaant op Thije in Rossum den 12 juni 1754

L. J. Nieuwenhuys R.C. Pr.”

Ook willen we hier enkele gedeelten uit het testament van pastoor Nieuwenhuis aanhalen, die historisch wel interessant zijn. Jaarlijks zouden voor zijn zielerust 10 heilige missen gelezen worden “en dat aan de tijdelieke Rooms Priester, mijn opvolger, of een van mijn familie, ook elders staande, hier sullen jaarlijks fijf gulde voor gegeven worden” (van de rente van een obligatie). Verder:

“Dat nae gewoonte an alle Twense pastoren en Caplaans een ducaton sal gesonden worden, en darbij dartig guld. tot Missen boeven dien om donderdags een Misse voor te lesen, het eerste jaar door en van den overschot op de saturdagen.”

De klopjes zullen worden getrakteerd:

“Dat de klopjes een traetament (= tractatie) in eeten en drinken op de wijze alsse tracteert worden van haar mede zusters als se angenomen sien, sal gegeven worden.” Ook de armen van de parochie werden niet vergeten: “An den armen van de gemeen te sal sestig schepel rogge worden uitgedeelt.”

Tenslotte vermelden wij hier curiositeitshalve het nieuwjaarskoekenijzer dat pastoor Nieuwenhuis voor zich in het jaar van zijn verhuizing naar Rossum heeft laten vervaardigen. Het bevindt zich in de verzameling van de Oldenzaalse Oudheidskamer.

Er is een gedicht van Adriaan Poirters op aangebracht:

Laet hemels vreugt en helle pien
Altiet in Uw gedagten sijn.
Denck hoe het weesen magh aldaer
Daer eenen dag duert duesent jaar.
En denkt eens hoet daer wees en magh
Daer duysent jaer is eenen dagh.
Heer Nienhuis priester in dy mark Oldensael.

Op de andere zijde staat:

Drie dingen beswaren mien gemoet
Ten eerste dat ik sterven moet,
Het ander beswaret mij nog veel meer
Omdat ik niet en weet wanneer,
Maer ’t derde beswaert mij boven al
Ick weet niet waer ik vaeren sal.
Anno 1736 den 3 Febbern is dit gemaakt

vorige | volgende